[p.5]

1 juni 2013, Bonaire

Het Nationale Mariene Park rond dit eiland is 60 meter diep. Alles wat zich daaronder bevindt wordt simpelweg ‘het diepe rif’ genoemd en is nog nooit door mensen bezocht. Vandaag wagen de biologen Erik en Anna zich als eersten in die onbekende zone. Hun onderzoek maakt deel uit van de eerste expeditie van de Chapman, een tot drijvend laboratorium en duikboottender verbouwde trawler, waarop we vijf dagen geleden uit thuishaven Willemstad zijn vertrokken. Met het moederschip en de bijbehorende duikboot worden vanaf nu de diepten van de Caraïbische Zee verkend. Behalve de twee Nederlandse wetenschappers zijn er ook Amerikaanse collega’s aan boord. Ik vaar en duik mee als gast en rapporteur.

[p.7]

0 meter

De oude man doet voor hoe het moet. Je stapt van het dek van de Chapman op een ponton en vandaar in een vloeiende beweging op de onderzeeër. Uit de platte bovenkant steekt een kleine commandotoren die aan een toiletpot doet denken, alleen al vanwege de omhooggeklapte deksel. Daarop ga je zitten, op de rand. Je draait een kwartslag en tilt een voor een je benen naar binnen. Daarna laat je je – ik hoor de man roepen – ‘zonder meteen de bodem te voelen’, gewoon naar beneden zakken. De rest van zijn instructies verstomt ergens in de romp van het vaartuig, een meter of twee onder water.

Piloot Bruce neemt de introductie van hem over. Hij legt een weegschaal op het dek. Duiken is volgens hem een kwestie van balans – we moeten straks over een zekere zwaarte beschikken. Hij leest af wat ik daar als gewicht aan bij ga dragen.

Ik vraag of je ook te zwaar kunt zijn. Dat we dan wel afdalen maar daarna niet meer omhoog kunnen komen.

Bruce lacht en loopt weg om extra lood te halen.

Ik stap op het ponton en herinner me weer hoe zeeziek ik nog steeds ben. Ook de duikboot dobbert en deint. Zittend op de rand van de commandotoren denk ik na over opwaartse en neerwaartse kracht. Waarom kun je onder zee nou wel te weinig maar niet te veel gewicht hebben? Na het omdraaien kijk ik door de koker naar beneden. Misschien is hier sprake van een soort natuurlijke selectie. De buis is in elk geval erg smal; met een meer dan gemiddelde dikte kom je er vermoedelijk niet eens doorheen.

[p.8]

Zes dagen geleden, Curaçao

Vorige week zag ik onze duikboot voor het eerst; hij dobberde toen nog, als test of alles werkte, half onder water in de haven van Willemstad. Ik had een grijs torpedovormig object verwacht maar dit leek meer op een enorme oranje kreeft, inclusief sprieterige tentakels. Erik, de leider van het Nederlandse team, zag er meer een octopus in. Het ging volgens hem sowieso, net als bij verreweg de meeste dieren, om een constructie van een buis in een buis – zij het dat in dit beest de ene buis haaks op de andere stond. Het bestaan uit twee buizen, dat was nog maar een van zijn dierlijke karakteristieken. Met speciale grijparmen, een lange slurf en talloze sensoren voldeed hij aan een fundamentele voorwaarde om te overleven: optimale aanpassing aan je leefomgeving. Die omgeving was vijandiger dan je zou denken; de Caraïbische Zee voldeed allang niet meer overal aan haar kraakheldere imago.

Erik herinnerde zich een van zijn vroegere duiktochten, jaren geleden. Hij woonde nog op Curaçao en deed rondom onderzoek als zeebioloog en technisch duiker.

Het koraalrif lag toen al op verschillende plekken weg te rotten, vaak onder een dikke laag slijm. De situatie hier, in de haven, overtrof alles. Nu zagen we hoe een afbladderend oranjebruin tankschip aan de overkant van de baai aanmeerde bij de beruchte Curaçaose raffinaderij, een tafereel dat zich afspeelde in de schaduw van de geelbruine walm die erboven hing.

Ik vroeg Erik hoe hij het vond om hier weer terug te zijn, en nu als expeditieleider. Hij dacht even na. Tja. Er was intussen veel veranderd. Hij had inmiddels een gezin. Het was moeilijk geweest om zijn dochtertje in Nederland achter te laten. Leg het belang van zo’n expeditie maar eens uit aan zo’n klein meisje. En leider? Was hij echt een leider? Hij zwaaide naar Anna, zijn collega. Ze stond op de loopplank van de Chapman, klemde een laptop onder haar arm en tikte, in plaats van terug te zwaaien, ongeduldig op haar pols. Boven haar, op de brug, rolde de kapitein een sigaret. De kraag van zijn poloshirt stond recht overeind, en het leek wel of zijn zilveren haar door een windhoos in het juiste model was geblazen. Een andere man, net zo bruingebrand maar half zo jong, sprong soepel van de Chapman boven op de onderzeeër. Dat was piloot Bruce. Hij balde na de landing zijn vuist bij wijze van begroeting – niet naar ons maar naar Carole, een Amerikaanse diepzee-onderzoekster, bekend uit talloze documentaires, die net op de kade was gearriveerd. Ze stapte uit een truck en werd gevolgd door haar team van twee taxonomen met indrukwekkende baarden en een dna-specialist, ook met baard.

De enige persoon die hier geen enkele vorm van autoriteit uitstraalde was een oude baas die op zijn knieën het dek aan het schrobben was. Ik vroeg waarom die man midden op de dag in de brandende zon op dit schip aan het werk gezet was. Erik lachte. Die man was Adriaan. Iedereen noemde hem Dutch omdat hij in Nederland, in Zeeland geboren was. Hij runde op Curaçao een hotel, en daarnaast, Erik bedoelde letterlijk ernaast, nog een hotel en daarnaast een café en daar weer naast een restaurant en daarnaast een groot zeeaquarium met daarnaast de zogenoemde Dolfijnen Academie. Met het geld dat Adriaan met dit alles had verdiend stuurde hij nu verschillende wetenschappelijke projecten aan, waaronder deze boot met als kers op de taart – en uitgekomen Zeeuwse jongensdroom – de voor ons drijvende mini-onderzeeër in de vorm van een reuzenkreeft dan wel -octopus.

[p.10]

-2 meter

De nauwe buis mondt uit in de cabine, waar een brede richel langs de achterwand dienstdoet als achterbank, mijn knieën klemmen tegen het ligbed van Adriaan. Naast mij bolt het ronde venster naar buiten als een vissenoog – de onderwaterwereld presenteert zich in het perspectief van een kerstbal. In dit vervormde blikveld verschijnt al meteen een glinsterend dier, volgens Adriaan een barracuda. Hij heeft een lange rij stekelige tanden en patrouilleert in een lus die steeds groter wordt. Uiteindelijk zien we alleen nog maar zijn staart, dat wil zeggen, in dit zijraam – er is natuurlijk ook een voorruit: een patrijspoort van een meter doorsnede waardoor hetzelfde dier, nog sterker uitvergroot en vervormd, met een oog naar binnen kijkt. Hij opent even zijn bek en lijkt te volgen hoe Anna vlak voor zijn langgerekte snuit op het bed naast dat van Adriaan plaatsneemt. Ze draait zich op haar buik – zo hoor je daar te liggen –, tikt tegen het glas en zegt dat ze als kind al dacht met vissen en andere waterdieren te kunnen communiceren, in gebarentaal. Dat was tijdens vakanties aan de Middellandse Zee. Ze voelde zich niet alleen vrijer onder water dan erboven, maar ook beter begrepen. Recent onderzoek had aangetoond dat vissen inderdaad met lichaamstaal communiceren, ook met andere soorten, dus wie weet wat er in werkelijkheid allemaal werd uitgewisseld.

Er mengen zich nu een paar andere barracuda’s in hun zogenaamde gesprek. Adriaan zegt dat de Duitsers hun laatste model torpedo’s naar dit dier hebben genoemd. Volgens Anna leiden de meeste een eenzaam leven.

[p.11]

Zes dagen geleden, Curaçao

De verbouwing van de Chapman was nog maar net afgerond, of eigenlijk, nog net niet. Daarom werden we de eerste avond van deze expeditie ondergebracht in de Dolfijnen Academie. Ik wandelde er ’s avonds nog wat langs de buitenbasins en stuitte op een eveneens door Adriaan gefinancierd slaaponderzoek. Een van de dolfijnen lag in een onderwater-hangmat, er waren zuignappen met elektroden op zijn hoofd geplakt. De draden liepen naar een meetapparaat waarvan het display werd afgelezen door een onderzoekster. Ze fluisterde dat de dolfijn Tikal heette. Hij was een zogeheten tuimelaar, dat kon je zien aan zijn vooruitgeschoven onderkaak. Het dier maakte met zijn grijns en opgeplakte geleiders niet alleen een erg slimme maar ook waakzame indruk. Dat laatste was hij zeker, in ieder geval de helft aan onze kant, de kant die de wacht hield en bijvoorbeeld in de gaten moest houden of er nog wel adem werd gehaald en of er dus, in bredere zin, geen verdrinkingsgevaar was. De andere kant van Tikals brein was volgens het display in diepe rust. Ik vroeg of het altijd dezelfde hersenhelft was die sliep en de andere nooit, maar dat was niet zo, volgens de metingen wisselden ze elkaar af. Het was nog wel onduidelijk of de wakkere halve dolfijn als een nachtzuster geregeld de temperatuur van de slapende helft opnam, of zelfs kon waarnemen wat daar precies gedroomd werd, maar dat alles mocht niet bij voorbaat worden uitgesloten.

[p.12]

Vijf dagen geleden, Curaçao

De volgende dag begonnen we voortvarend. We vertrokken uit Willemstad en passeerden binnen een paar minuten wat er te passeren viel – Wilhelminabrug, Pontjesbrug, kleurige huisjes, fort – maar uitgerekend ter hoogte van de Dolfijnen Academie, een kwartiertje varen langs de kust van Curaçao, sloeg de motor af. Erik wilde weten wat er aan de hand was. Stond er nog een kist met wetenschappelijke apparatuur op de kade? Hadden we motorpech misschien? Ik volgde hem de trap op naar het tussendek en naar de stuurhut daar weer boven. Daar klaagde de kapitein over nog meer vertraging. Nu dit weer. We hadden volgens hem al veel eerder kunnen vertrekken en met eerder bedoelde hij niet een uur of een dag maar een jaar eerder. Of twee jaar. Of drie. Toen al was deze boot gekocht en de verbouwing begonnen, en had men toen maar naar zijn adviezen geluisterd.

Ik vroeg wat voor adviezen hij bedoelde.

Hij liet het stuurwiel los en pakte een zwarte mok waarop in het wit made in curaçao was uitgespaard. De inhoud, waarschijnlijk koude koffie, werd even kritisch geïnspecteerd. Om heel eerlijk te zijn, hij zou dit schip zelf nooit hebben aangeschaft. Een roestbak was het geweest. Maar goed, we waren nu onderweg, hij wilde er verder geen woorden meer aan vuilmaken. Althans, onderweg – dat had hij gehoopt. In plaats van nou eindelijk even vaart maken was er weer iets verzonnen. Een ritueel. Uitgerekend nu de boot na al die jaren op koers lag was er een afscheidsritueel bedacht dat wie weet hoe lang zou duren, en dat was allemaal prima, als ze vanavond maar niet bij hem kwamen aanzetten met klaagverhalen dat de boot het geplande aantal mijlen per uur niet had gehaald.

Hij nam een slok en verwisselde de mok voor een verrekijker. We volgden hem naar de balustrade en keken richting wal. Niet dat we de enigen waren die dat deden: de boot fungeerde als een soort tribune voor alle opvarenden. Er ging iets gebeuren, maar wat? De projecten van Adriaan schitterden in de zon. De hotels, de restaurants, het zeeaquarium en natuurlijk de Dolfijnen Academie.

Plotseling werd de rust doorbroken. Tikal, de tuimelaar die gisteren nog wetenschappelijk werd onderzocht, was wakker geworden. Hij schoot gelijktijdig met vier andere dolfijnen een meter of vier uit het buitenbasin omhoog en leek op het hoogste punt even te blijven hangen. De hele tribune applaudisseerde. Het was een wonder; deze enorme dieren die zich opeens in volle schoonheid boven water lieten zien, een draai maakten en weer onderdoken. We bleven allemaal kijken en wilden nóg zo’n synchroon-salto zien en ons verbonden voelen met een groter mystiek en strak vormgegeven geheel, maar ze hielden zich alweer verborgen. We waren in elk geval wel ceremonieel uitgezwaaid. En er bestond, dat was weer even onbetwistbaar gebleken, niet alleen een leefomgeving boven, maar ook onder water. Als de vertraging verder mee ging vallen, zouden we daar binnen afzienbare tijd meer van gaan zien.

[p.14]

-4 meter

Behalve in gebarentaal verloopt de communicatie met de buitenwereld vooral met behulp van een strak protocol. Nadat Erik zich naast mij op de achterbank heeft weten te manoeuvreren, blijkt er voor onze piloot en woordvoerder Bruce nog een plek in het midden vrij te zijn, op een kleine verhoging annex zitplaats, eigenlijk precies daar waar hij bij het binnenkomen, als een laatste puzzelstuk, met zijn voeten op landt. Meteen zet hij een gesprek voort met zijn collega’s op het dek, maar die sluiten het luik en hun stemmen dringen alleen nog tot ons door via de ruisende en krakende radio, onderbroken door pieptonen, in een taal die voornamelijk uit nummers en afkortingen bestaat. Er is kennelijk gevraagd hoe het met ons gaat want Bruce antwoordt dat de druk in de cabine een vierde positief is, en het zuurstofpercentage 20,8. De batterijen links en rechts: 100 procent gevuld. En: alle schrobbers werken, dat is duidelijk te horen. Schrobbers zijn apparaten die volgens Erik kooldioxide uit de lucht schrobben, een belangrijk onderdeel van onze zogeheten leefondersteuning. Ze maken een vraatzuchtig zuiggeluid: we produceren kennelijk nu al, binnen een paar minuten, door simpelweg uit te ademen, een gifstof die normaal, boven water, ongemerkt door onze alledaagse aardse leefondersteuning wordt opgeruimd. Nu vormen we met elkaar en met de apparatuur een mini-ecosysteem en bovendien, voorspelbaar maar toch een sensatie: we dalen.

‘Minus vier, minus vier,’ roept Bruce via de microfoon naar zijn collega's boven. Die zijn inmiddels, neem ik aan, van het bovendek overgestapt op de consoleboot die ons nu volgt langs de wateroppervlakte en daar functioneert als een soort Ground Control, in de omgekeerde onderzeeboot-terminologie Topzijde genaamd.

Terwijl onze afstand tot Topzijde zich geleidelijk vergroot, blijft de radio ruisen en gaat Bruce door met nummers en afkortingen naar boven rapporteren – gegevens die samen een leefrapport genoemd worden. Vanaf nu wordt er elk kwartier zo’n rapport van ons verwacht en steeds bepaalt Topzijde vervolgens of het nog goed met ons gaat en of we bijvoorbeeld verder mogen of, zoals nu, dieper. De schrobbers verslikken zich af en toe in wat wij afscheiden, maar vooralsnog geen reden tot zorg, ze herstellen zich telkens weer.

[p.16]

Vijf dagen geleden, Klein Curaçao

Na het afscheidsritueel bij Curaçao functioneerde het halfopen laboratorium op het dek van de Chapman tijdelijk als een buffet waar we pizzapunten uit dozen van Domino’s Pizza konden pakken en blikjes cola uit een koelbox. Er stonden ook twee jerrycans, elk van 40 liter, een met drinkwater en een waarop do not touch – smithsonian was geschreven.

Erik en Anna onderzochten de verschillende pizza's. Ze waren allemaal met vlees belegd, behalve een die volgens Erik Tuna Temptation heette. Anna boog naar voren tot haar panamahoed de hele pizza aan mijn zicht onttrok. Zij had twijfels over Eriks determinatie. Ze vermoedde dat het ging om een zogenoemde Chicken Monaco, maar het was haar om het even, zelfs van een tonijnpizza zag ze liever af.

‘Maar je eet toch vis?’ vroeg Erik. ‘Sorry.’ Anna veerde overeind en verdween nu achter haar zonnebril. ‘Tonijn is een toppredator.’

Ik vroeg wat voor probleem ze daarmee had. Te weinig compassie met lagere vissen op de soortenladder? Te veel agressiviteit? Nee, het ging niet om een te hoog gehalte aan testosteron, maar wel aan arsenicum bijvoorbeeld, dat werd in kleine hoeveelheden van vis tot vis doorgegeven, tot je het uiteindelijk – Anna deed alsof ze met haar handen een sneeuwbal van gifstoffen maakte – in de top van de voedselketen aantrof, en nu, mocht het inderdaad om een Tuna Temptation gaan, in onze pizza. En in ons, want Erik en ik waren al begonnen met eten.

Anna ging een pak crackers in haar bagage zoeken. Wij namen een tweede punt als proviand voor op het tussendek. Daar was de kapitein bezig met puntjes op de i te zetten. Hij plakte een halve meter brede sticker bedrukt met onderstreepte hoofdletters op de reddingssloep. Hij zei dat er overigens een Caraïbische hamerhaai was gesignaleerd.

Ik keek naar de horizon. In de verte lag ons eerste reisdoel, het eiland Klein Curaçao, een opvallend platte, kale en licht weerkaatsende strip die, telkens wanneer hij even zichtbaar werd, pijn deed aan mijn ogen. Behalve die strip bevatte de zee op het oog alleen maar golvend water.

‘Nergens een haai te zien,’ zei ik.

‘Bah,’ riep Erik achter ons.

De kapitein en ik draaiden ons om.

Erik bekeek zijn half opgegeten tweede pizzapunt van dichtbij. Misschien had Anna wel gelijk, zei hij. Misschien stonden we hier toch kip en geen tonijn te eten.

De punt vloog overboord, waarschijnlijk omdat met een kip nog meer aan de hand kon zijn dan met een toppredator. Als het niet om antibiotica ging of andere bestanddelen, dan wel om de stress van een alleen maar als voedsel ontworpen leven. Mijn punt vloog die van Erik achterna, ik wilde niet iets eten wat een bioloog niet eet.

De kapitein wapperde rustig de rook van zijn sigaret weg, alsof er hierboven geen wind stond en het schip niet al behoorlijk op en neer deinde. Hij zei dat je je wel overal druk om kon maken. Het was beter je op de hoofdzaken te concentreren. Hij was klaar bij de sloep en plakte nu een sticker op een metalen deur met de tekst: emergency evacuation route. Bij zijn voeten lag een rol met nog meer stickers, die vermoedelijk eveneens op komende rampsituaties anticipeerden. Ik vroeg of we ons misschien toch ergens zorgen over moesten maken.

Nee, nee, het schip was inmiddels helemaal in orde.

‘Inmiddels? Wat wás er dan mee aan de hand?’

‘Wat ermee aan de hand was?’ De kapitein deed een stap achteruit, keek naar zijn plakwerk en zei dat hij zelf nooit een tweedehands schip zou hebben gekocht, je kon veel beter meteen een nieuwe laten maken. Zoiets voelde je aan. Gewoon bij nul beginnen. Nu was dit, onder de oppervlakte, een oud schip, geprepareerd voor oude omstandigheden. Zat die sticker nu recht op die deur of niet? Wat dachten wij?

Recht, dacht ik, ten opzichte van wat? Dat was het moment dat ik in mijn maag iets voelde blokkeren. Het kon kip zijn, of tonijn. Of ik zelf. Een bepaalde functionaliteit haperde, iets dat met mijn persoonlijke leefondersteuning te maken had en de hoeveelheid werk niet meer aan kon. Klein Curaçao deinde in de verte gevaarlijk op en neer. Ik greep de reling. Erik legde iets uit over zeeziekte, over de verhouding tussen de lengte van de golven en de lengte van het schip. Misschien had het verlengde achterdek, speciaal aan ons vastgelast als perron voor de duikboot, er ook wel mee te maken. Of waren er oude, ongebruikte maar nog altijd werkende machinaties van het schip geactiveerd. Ik stelde me voor dat er een levensgrote vis in mij zat, met daarin een kleinere vis en daarin een nog kleinere. De kleinste kwam al naar boven. Of eigenlijk, naar beneden, want ik hing ondersteboven over de reling.

Ik merkte even duidelijk waar de buis-in-een-buisconstructie van een hoogontwikkeld dier grofweg op neer kwam: een zak met organen rond een spijsverteringskanaal, een geheel dat zich over de hele lengte in één keer kon samentrekken.

[p.19]

-5 meter

Een onderzeeër heeft, eenmaal onder water, geen last van golfslag. We navigeren dan ook comfortabel door het Nationale Mariene Park. Het eiland Bonaire, dat op de plattegrond van het park een gat in het midden vormt, bestaat volgens Erik in feite uit oud, afgestorven koraal. Het rif loopt rondom als een reusachtige trap naar beneden. Hier, onder water, leeft alles nog. Althans, het meeste. De traptreden, die je je als enorme terrassen kunt voorstellen, zijn gemiddeld zo’n honderd meter breed en tien tot veertig meter hoog. We zweven een tijdje boven het eerste onderzeese plateau over een woud van elandengeweien, de hoogtemeter van Bruce staat op -5.

Na ongeveer een kwartier valt de bodem weg. Ver weg in de diepte spreidt zich de volgende trede onder ons uit, een uitbundig begroeide vlakte die letterlijk baadt in een zee van zonlicht. Onze minuscule schaduw verplaatst zich traag over de bodem, samen met die van wolken felgekleurde vissen. We zweven nu zo te zien over of door elkaar heen, ontsnapt aan wereldse wetmatigheden.

Toch gelden hier nog altijd regels. Volgens de plattegrond is alles tussen de vloedlijn en een diepte van 60 meter natuurgebied. Er staat nergens een hek en er is geen hoofdpoort maar het park heeft wel een systeem van toegangsbewijzen – de badge voor duikers is bijvoorbeeld duurder dan die voor snorkelaars en zwemmers – en wie door de parkwachters wordt betrapt op zwartduiken of zwartsnorkelen loopt kans op een boete van omgerekend 2 000 euro of een week gevangenisstraf. Op het meenemen van ook maar het kleinste stukje koraal, of wat voor levend of dood voorwerp dan ook, staan nog veel zwaardere straffen – vooral wanneer het een zeeschildpad betreft of een onderdeel daarvan.

[p.20]

-20 meter

Binnen de strenge regelgeving is het storten van afval natuurlijk uit den boze, maar het terras onder ons ziet er van dichterbij uit als een vuilnisbelt vol gedumpte en op elkaar gestapelde auto-onderdelen, stukken kabel, flessen, schoenen, bundels met pijpen in verschillende kleuren en gradaties van verroesting. Toch wordt het langzamerhand onbetwistbaar dat dit behalve vuilstortplaats ook een smeltkroes is van levende wezens in extreem uiteenlopende verschijningsvormen: koraal groeit hier in de gestalte van tuinslangen, eettafels en lampenkappen, maar ook als vingers, wilde hoofdbeharing of enorme hersenkwabben. Een uitzonderlijke variatie van steenkoraal in de vorm van dakpannen, op elkaar gestapeld als een pagode, overtreft de andere in grootte en hoeveelheid. Deze hoge torens hebben zich tot in de verte vastgehecht op gesteente dat bestaat uit vele generaties voorouders. Het verschil tussen steen en koraal is moeilijk te herkennen en het is ook onduidelijk of je het geheel nu een dier of een plant moet noemen. Strikt genomen bestaat levend koraal uit kleine diertjes, maar dan wel diertjes die bloemdiertjes heten en waarin, volgens Erik, vlak onder de huid weer een bepaald soort algen bivakkeren. Ik vraag of dat een ziekte is, iets waar het koraal door uitsterft.

‘Nee,’ antwoordt hij, ‘het is een ziekte wanneer bloemdiertjes géén algen hebben; dan verbleken ze.’ Algen zorgen voor energie, licht hij toe, ze zetten zonlicht om in suikers. Als wij ook algen onder onze huid aan het werk konden zetten, zouden we net als koraal van water en zonlicht kunnen leven. Dan zouden we onszelf plantmensjes kunnen noemen.

[p.22]

Vijf dagen geleden, Klein Curaçao

Erik had het al eerder over bloemdiertjes gehad. Dat was na aankomst bij Klein Curaçao, een onbewoond eiland zonder haven. De kapitein had het schip zo’n 150 meter buiten de kust voor anker gelegd, volgens hem een rustig plekje. Niet rustig voor ons, de zee ging hier nog behoorlijk tekeer, maar voor het koraal. In plaats van honderden meters door het koraalrif te ploegen had het anker zich op deze locatie in één keer vast kunnen zetten, de beschadiging was minimaal, iedereen kon gerust gaan slapen.

In onze hut, onder het benedendek van de Chapman, stonden de bedden in L-vorm opgegesteld. Erik deinde vanuit mijn perspectief als op een luchtbed in de lengte over de golven, ik draaide om mijn as als in een schommelwieg. Mijn maag was leeg maar ik had de hik en zei dat het voelde alsof er nog steeds een vis in me zat die naar buiten wilde. Erik vond dat minder vreemd dan ik had verwacht, evolutionair gezien bleek die vis zich ook daadwerkelijk in mij te bevinden. Althans, gedeeltelijk. Eerder in iedereen. Bijvoorbeeld: de ademhalingszenuwbanen. Die lopen vanaf de longen dwars door onze borstholte en dat is erg onhandig. De bedrading is via deze route nodeloos uitgerekt en maakt een enorme omweg, alleen maar omdat het aansluitingspunt, een soort stopcontact, aan de verkeerde kant van onze hersenstam is aangelegd. Dat was volgens Erik omdat vroeger, toen we nog honderd procent vis waren, onze kieuwen zich op die plek bevonden. En aan die veel te lange zenuwen hadden we nu onze gevoeligheid voor een spastische kramp als de hik te danken, al was dat overigens op zichzelf weer een meer recent fenomeen, het stamde volgens hem uit de tijd dat we ons inmiddels al tot moeraspad hadden ontwikkeld.

Ergens diep onder mijn bed pompte het schip overtollig water weg. De generator, die het schip van stroom voorzag, sputterde, het licht flikkerde. De hik, dacht ik, daar was nog mee te leven, maar welke prehistorische krampen joegen er verder nog door mijn lichaam? Met hoeveel verlengsnoeren en andere geïmproviseerde oplossingen moest het zich eigenlijk dagelijks zien te redden? Ik herinnerde me een epische biologieles over de absurd lange weg die zaad moet afleggen in een mannenlichaam voordat het eindelijk de vrijheid tegemoet kan gaan, en dat was natuurlijk nog maar een van de vele constructieve belemmeringen rond het voortplanten.

Ik vroeg Erik uit hoeveel dieren een mens wel niet was samengesteld maar dat was niet precies bekend. Je zou jezelf bij wijze van spreken als een ui moeten afpellen om daar achter te komen. Daarbij zou je niet alleen bij elke laag een ander dier – of een gedeelte daarvan – tegenkomen, maar ook steeds verder in het verleden kunnen kijken.

De generator sloeg zo te horen definitief af, het cabinelicht ging uit, in de patrijspoort verscheen de Caraïbische sterrenhemel. Erik vroeg of ik wel eens van Anthozoa had gehoord. Dat was geen sterrenbeeld maar de naam van het diertje waaruit koraal bestond. Ik vroeg of we daar uiteindelijk soms ook verwant mee waren. Dat leek Erik heel goed mogelijk. Anthos betekende bloem, en zoa dier. Een Anthozoa was, ik zou er even een plaatje van moeten zien, een prachtig diertje dat heel dicht bij zijn soortgenoten leefde, in een kolonie, in de vorm van een bloem. Meerdere van die bloemen vormden samen de wonderlijke variaties van koraal.

Ik vroeg of mensen soms nog altijd diep in zichzelf naar hun staat als bloemdiertje terugverlangden – en in wezen niets liever wilden dan samen met anderen een bloem uitbeelden.

Erik gaapte. Hij zei dat bij hemzelf alleen al de naam Anthozoa verlangen genoeg opriep. De Amerikanen van het vissenteam in de hut naast ons hadden een nieuw ontdekte vissensoort naar een van hun kinderen genoemd en hij begreep niet waarom. Niet omdat vissen Erik niet erg boeiden maar er bestond dan opeens een tropische vis die Thomas heette, of, hij wist het niet meer, Laura misschien. Wat zei zo’n naam nou helemaal?

Ik vroeg of hij nooit een bepaald soort bloemdiertje naar een van zijn kinderen had willen noemen. Nee, dat was nooit bij hem opgekomen maar Anthozoa zou wel een mooie naam voor zijn dochtertje zijn geweest. Hij wenste me goedenacht en ging slapen.

[p.24]

Vier dagen geleden, Bonaire

Het motto van de kapitein – de diepe wens om bij een nieuw project helemaal bij nul te beginnen in plaats van een bestaand karkas als uitgangspunt te nemen – werd langzaam maar zeker een thema op deze reis. Na aankomst bij Bonaire grilde Adriaan steaks op het dek maar ik was nog altijd zeeziek en Anna en Erik aten nog steeds geen vlees. Ze wachtten op de vis die Bruce speciaal voor hen ging vangen en nu nog vrij rondzwom in het maanlicht. We bespraken een alternatief voor de bio-industrie: het kweken van vlees, voorlopig in petrischaaltjes in laboratoria maar in de toekomst misschien in grote containers in voedselfabrieken. Ik vroeg of dat geen goed voorbeeld was van de evolutie in eigen hand nemen. Er hoefde op die manier immers geen beest meer ter wille van ons te sterven, en we waren af van al het menselijke gepruts en gerotzooi met dieren. Erik had daar in theorie niks op tegen. Ik zei dat als we straks een steak konden laten groeien, het ook moest lukken met een hart. Volgens hem zou het in principe ooit met alles lukken. Ook met een huis, bijvoorbeeld. Ik vroeg me af of je een hart ook in een auto kon stoppen, als vervanging van een motor, en of we ons dan dus op zuurstof konden voortbewegen. Dat was al iets minder waarschijnlijk. Anna meende dat er toch wel wat meer voor nodig was om een auto te laten rijden. Erik was het met haar eens. Onze auto van vlees en bloed zou om maar wat te noemen af en toe moeten grazen in een weiland, en zou dus een mond nodig hebben, en tanden en kiezen. En een spijsverteringskanaal. Hij kon zich ook beter op poten dan op wielen voortbewegen, dat was beter voor het gras. Volgens hem waren we eigenlijk bezig een paard uit te vinden.

[p.26]

Drie dagen geleden, Klein-Bonaire

De volgende dag konden we zien wat er al mogelijk was op het gebied van iets uit niets maken. Even buiten de kust van Klein-Bonaire bevond zich een kraamkamer, een broedplaats voor koraal. We vergezelden drie aan dit project verbonden vrijwillige koraalverplegers in The Harbor Lady, een motorboot van een bevriende duikclub. Na tien minuten hoge snelheid minderde de boot vaart en bleven we boven het project cirkelen. Anna, Erik en de vrijwilligers ritsten elk hun wetsuit dicht, snoerden hun trimvest vast, trokken zwemvliezen aan en spuugden in hun duikbril. Met deze uitmonstering, inclusief persluchtfles, nano- en dieptemeter en stukken lood, veranderde je jezelf in feite in een duikboot. Als laatste voegde iedereen nog een afwasborstel aan het materiaal toe. Ik wilde vragen welk duikbootonderdeel die borstel vertegenwoordigde maar was te laat; het één voor één achterwaarts het water in springen was begonnen. Ik had ook een duikpak en zwemvliezen gekregen, en een snorkelmaskertje. Bepakt en bezakt stapte ik achterstevoren het trapje van The Harbor Lady af.

Zelfs als snorkelaar bleek ik als een geabstraheerde onderzeeër te functioneren – door uit te ademen veranderde mijn positie bijvoorbeeld makkelijk van boven water naar eronder. Het verschil tussen die twee werelden leek in eerste instantie mee te vallen; het water was zo doorschijnend dat het was alsof het er niet was.

Erik had me al over die helderheid geïnformeerd. Transparantie betekende in zee: dor en schraal. Hoe meer zuiverheid, hoe minder voedsel. Het park was te vergelijken met een badkuip vol leidingwater die na verloop van tijd vanzelf in een weelderig begroeid en bewoond tropisch aquarium was veranderd. Charles Darwin had zich al over dit fenomeen verbaasd. Tijdens zijn beroemde reis trof hij de meest uitbundige manifestaties van leven aan in dit soort sobere gedeelten van de oceaan. Waarom in hemelsnaam?

Dat was waar Erik ze het allermeest om waardeerde: bloemdiertjes creëerden hun eigen leefomgeving. Ze begonnen bij nul en een paar duizend of honderdduizend jaar later hadden ze iets groots tot stand gebracht, ze hadden een eigen metropool aangelegd waarbij je qua grootte gerust aan een bouwwerk als de Chinese Muur mocht denken. Of groter, zoals bij het Groot Barrièrerif het geval was. Dit alles zonder olie, gas, steenkool of wat voor aardse reserve dan ook te verbruiken. Wat wij probeerden met zonnepanelen en windmolens en aardwarmte, pakten de ingenieurs van het rif, de koraaldieren, veel efficiënter aan. Sommige biologen beweerden volgens hem zelfs dat een koraalrif de productiviteit van een kerncentrale oversteeg.

Dat was natuurlijk maar hoe je het bekeek. En waar. En met hoeveel geduld.

Hoe ik de onderwaterhorizon ook aftastte, in dit gedeelte van het park viel niet veel te beleven. Als hier koraal was geweest dan was het nu verdwenen en voorlopig nog niet terug. Een meter of tien beneden mij bevond zich wel, maar dat was dan ook het enige, een koraal-nieuwbouwwijkje – kennelijk de bestemming van onze excursie want hier verzamelden de duikers zich als een kluwen grote zwarte kikkers. De kraamkamer bestond uit rechthoekige bomen met stammen en takken van pvc-buis, geplaatst op een regelmatig grid. Aan de takken hingen bloemdierkolonies in de vorm van knoestige stronkjes van een centimeter of tien, elk aan een stukje spandraad, in keurige rijen.

Nu werd de functie van de afwasborstel duidelijk. De kikkers borstelden de hangende stronkjes koraal er een voor een mee schoon. Ze namen, begreep ik later, de rol van vegetarische vissen over. Die hadden volgens de regels van het rif de jonge bloemdiertjes eigenlijk algenvrij moeten grazen maar ze lieten zich in deze kunstmatige omgeving nog niet zien. Na het borstelen gingen de vrijwilligers, opnieuw geholpen door Erik en Anna, meten. De gegevens werden met onderwaterpennen vastgelegd op klemborden met onderwaterpapier.

Terug op The Harbor Lady werden de metingen alvast even onder de loep genomen. De bloemdierstronkjes – het ging om zogeheten staghornkoraal, dat buitengewoon snel groeit – waren in één maand een centimeter langer geworden. Binnenkort konden ze op de versteende bodem aangebracht worden met waterbestendige bouwkit en dan kon het wonder – het proces van iets uit niets laten ontstaan – zich verder weer zelf ter hand nemen. We waren allemaal benieuwd naar het commentaar van Erik en Anna. Had dit project een toekomst? Zouden we binnen afzienbare tijd een echt rif kunnen laten groeien? Kregen we weer greep op de natuur? Erik gaf de kwekerij een kans, maar dit had volgens hem nog weinig te maken met biodiversiteit. Anna vulde aan dat er in deze utopische woonwijk nog een aantal essentiële voorzieningen ontbraken. Koraal alleen was kennelijk niet genoeg.

De vrijwilligers keken elkaar aan. De motor van hun boot was weer gestart en maakte veel lawaai. Wat ontbrak er precies?

Anna wees naar haar wijsvinger en vroeg hoe er water werd gefilterd. Daarna, bij haar middelvinger, vroeg ze naar het omzetten van micro-organismen in extra voedsel. Hoe werd dat geregeld? Toen ze geen vingers meer overhad zei ze nog iets over een liefdeshotel voor garnalen. Er moest kortom nog heel wat worden uitgedokterd en aangelegd, maar legde ze de lat niet wat al te hoog? Er waren al buizen en draden en er konden nog andere materialen uit de bouwmarkt op Bonaire aan worden toegevoegd, maar hoe konden de vrijwilligers hier beneden nu een complete infrastructuur aanleggen? Er kon toch niet het onmogelijke van ze worden verwacht?

Nee, tot al die wonderen waren mensen inderdaad niet in staat. Daar had je volgens Anna een speciale stam binnen het dierenrijk voor nodig. Immigratiedieren die als broodbakkers en stofzuigers functioneren. En als apotheek, fabriek, asielzoekerscentrum of als wat eigenlijk niet. Wezens die, zo te horen, als de oplossing voor vrijwel alles beschouwd konden worden en dit project werkelijk utopisch zouden kunnen maken. En bovendien aantrekkelijk genoeg voor de grazende vissen, zodat er nooit meer geborsteld hoefde te worden.

De vrijwilligers knikten, maar wilden nog een ding weten: over welk wonderlijk type, over wat voor schepsel had ze het eigenlijk?

Erik wees naar Anna en riep: ‘De spons!’

Ze knikte. De spons bleek het echte mirakel, hij vormde als een soort longen, hart en lever de basis voor een leefbaar rif – en overigens van leven überhaupt.

Na een kort zwijgen zei een vrijwilligster dat er in hun project nog plek genoeg was voor nieuwe inwoners – de moderne woonwijk stond open voor alles en iedereen, er heerste een verlichte cultuur, elke hulp was welkom. Maar Anna schudde haar hoofd. Een bepaalde koraalsoort kreeg je misschien nog wel zo ver, maar een spons, die liet zich vooralsnog niet makkelijk weghalen uit zijn bestaande omgeving, laat staan kweken uit het niets. Daar was nog uitgebreid onderzoek voor nodig. We waren hier tenslotte niet voor niets.

The Harbor Lady legde aan bij de pier van de duikclub. We namen afscheid van de vrijwilligers. De toekomst van hun koraalkraamkamer was onzeker, maar deze ochtend had wel de begrippen ‘geduld’, ‘afwasborstel’ en ‘Chinese Muur’ een stuk dichter bij elkaar gebracht. Bovendien was voor het eerst de spons ter sprake gekomen, het wezen waar het uiteindelijk allemaal om bleek te gaan.

[p.31]

-51 meter

Er is net overlegd of we nog even bij de dakpantorens zouden blijven of verder zouden dalen langs de tweede trede, in duikterminologie een drop-off genoemd. Dalen, riepen we ten slotte gezamenlijk, inclusief Topzijde via de radio. Diep onder ons bevindt zich nu een metershoog bruin vat. De bovenkant is open, de onderkant verankerd in de bodem. Het object doet denken aan een schoorsteen uit een vervlogen industrieel tijdperk. Maar het is geen schoorsteen – althans, niet in de gebruikelijke zin. Wat wel? Anna legt uit dat het een complete fabriek is die zo’n 15 liter water per seconde absorbeert, filtert en uitscheidt. Tot een dergelijke prestatie is uiteraard uitsluitend een spons in staat, een vatspons in dit geval, een oerdier dat volgens sommige deskundigen meer dan tweeduizend jaar oud kan worden. Behalve schoon water produceert het ook, onder andere door zichzelf op te eten, grote hoeveelheden voedsel voor de vissen en andere omringende dieren.

De vatspons staat hier niet alleen. We draaien een kwartslag zodat we uitzicht hebben over het hele plateau. We zweven boven een uitgestrekt fabrieksterrein van honderden bruine vaten. Soms denk je dat je enorme rookwolken uit de openingen ziet opstijgen maar dat is geen rook, alleen maar een teken dat de spons zich aan het voortplanten is. Dat doen ze, noodzakelijkerwijze, ook nog eens allemaal tegelijk, de mannetjes dan, dus je zweeft op zo’n moment in een soort smog van sponzensperma.

[p.32]

Drie dagen geleden, Bonaire

We gebruikten de duikclub in eerste instantie als omkleedruimte. Mijn wetsuit dreef, eindelijk afgestroopt, tussen die van Erik en Anna in de daarvoor bestemde bak water – die zag eruit alsof een groep waterdieren zich erin had ontveld. De stranddouche voelde koud en de zon daarna warm. Als oerdier hadden we nu ongetwijfeld languit op het zand gelegen maar als mens bleven we staan om onze zwemkleding netjes op te laten drogen.

Een bruingebrande jongen hielp een Duits sprekend echtpaar in opbollende zwemkostuums bij het uitzoeken van de grootste maat duikpakken, die provisorisch te drogen hingen aan een rek. Om haar benen door de pijpen van haar pak te kunnen krijgen trok de vrouw eerst plastic zakjes als sokken over haar voeten.

Ik vroeg me af tijdens wat voor evolutionaire omkleedpartij we in godsnaam onze schubben waren verloren en probeerde me voor te stellen waarmee, met welke substantie, we zo’n wetsuit nu eigenlijk vulden wanneer we het aantrokken. Behalve uit amfibie, vis en zelfs koraaldier bestonden we namelijk voor een substantieel gedeelte, zoals op de Harbor Lady bekendgemaakt, uit spons. Maar welk gedeelte was dat dan? Een bepaald orgaan? Een speciale klier die een essentiële stof kon afscheiden door zich plotseling samen te knijpen?

Wat was er alles bij elkaar genomen nog echt mens aan een mensenlichaam? Het enige onderdeel dat ik kon bedenken was onze hersenschors met zijn taal en cultuur en beleefdheid. Maar daaronder, of daarmee verweven, zat nog een compleet reptielenbrein dat zich ook met alles bemoeide en regelmatig het gezag volledig overnam. Wie of wat had het uiteindelijk voor het zeggen?

Mijn gedachten dwaalden verder af: naar de toekomst van kweekvlees, en naar een tijdperk waarin de mens zich meer en meer van zijn complexe ontstaansgeschiedenis zou bevrijden, mogelijk zelfs, qua bouw, opnieuw bij nul zou beginnen en zichzelf opnieuw gestalte zou geven. Dan, met alle bedradingen op de kortste lengte, met de stopcontacten op de goede plek, met een betere rugconstructie, een betere afwerking en de eliminatie van een aantal zinloze oerwoud-impulsen, waren we eindelijk af van een lichaam dat steeds maar trek had in onbeperkte hoeveelheden snacks, binnen de kortste keren in de zon verbrandde door gebrek aan een vacht en zich voortdurend wilde krommen doordat het geconstrueerd was om op vier voeten te lopen.

De vrouw was ondertussen dichtgeritst door de man. Althans, de eerste, onderste centimeters. Ze blies zoveel mogelijk lucht uit maar er bleef te veel spanning op de sluiting staan.

[p.33]

-60 meter

De binnenwanden van de duikboot, waar we dicht tegen aangedrukt zitten, zijn vochtig geworden. Dat maakt volgens Erik maar weer eens begrijpelijk dat onze evolutionaire oorsprong in zee ligt – we bestaan voor het grootste gedeelte uit ziltige, slijmerige substantie, vocht dat we in meerdere of mindere mate uitwisselen met onze omgeving. Elke dag nemen we water op en zetten dat om in liters slijm en zweet en spuug. Als vijf zwetende weke delen in een romp nemen we de volgende drop-off. We zijn nu weliswaar aangewezen op onze koplampen, draaibare bundels licht die de omgeving in alle richtingen aftasten, maar we hoeven niet eens te kijken, we voelen dat we het park verlaten. We betreden ander water, het begin van de echte diepzee: de duikboot koelt af. Ons eigen zweet voelt nu koud aan. De onmetelijke, donkere ruimte heeft zich om ons heen gelegd. Erik kijkt achter zich en voelt daarna onder het bankje. Hij laat ons weten dat er behalve een noodvoorraad van eten en drinken voor vier dagen ook nog ergens een doos met plaszakjes aan boord zou moeten zijn.

[p.34]

Drie dagen geleden, Bonaire

Het Duitse duikechtpaar hoorde bij nog twee andere koppels. Eenmaal in hun duikpakken gehesen stonden ze met hun zessen te tollen onder hun eigen gewicht. Volgens Erik was een schouwspel als dit vrij normaal, het was hem een raadsel hoe de duikwereld zich een veel sportiever imago had weten aan te meten, en waarom vrouwen gemiddeld genomen zo enthousiast reageerden wanneer hij zich als mariene bioloog aan hen voorstelde. Zo enthousiast zelfs dat hij er meestal meteen bij vermeldde dat hij al getrouwd was.

Anna zei dat het verlangen naar duiken dieper ging dan alleen maar met de eerste de beste bioloog te willen trouwen.

Door welk instinct dan ook voortgedreven of aangestuurd, de instructeur rende af en aan met de rest van de uitrusting: loodgordels, duikgordels en duikflessen. De riemen die het geheel bij iedereen vastgesnoerd moesten houden, hadden verlengstukken nodig. Terwijl er een kring werd gevormd met de instructeur in het midden, hield de een de ander vast om overeind te blijven.

Het wankelen werkte aanstekelijk. Ik vroeg me af waarom staan eigenlijk zo lastig was. Alhoewel het ons ooit geleerd moest zijn en het typerend was voor de diersoort waartoe we behoorden, ging het ons, zelfs met vaste grond onder onze voeten, maar matig af: waarom werden mensen moe als ze stonden en bijvoorbeeld een baksteen nooit?

Anna zei dat mensen altijd stonden te wankelen, ook als we dachten dat we dat niet deden – zelfs toen we nog als apen in de bomen leefden en we ons gevoel voor balans nog niet grotendeels verloren hadden. Als we niet bewogen, zakten we in elkaar. In tegenstelling tot een baksteen waren wij een tamelijk vloeibare constructie, we bestonden uit cellen en in de ruimte daartussen was van alles aan de hand: er moest voedsel doorheen, en hormonen en neurotransmitters en enzymen, en er werden gassen uitgewisseld en bouwwerkzaamheden uitgevoerd – een hele reeks processen om ons in leven en aan de gang te houden. Dat we ondanks al die tussenruimte toch een eenheid vormden was een wonder. Het waren, nu we het hier toevallig over hadden, sponzen geweest die voor het eerst, met behulp van een bepaald soort biologische pluggen, een lichaam – Anna noemde het een samenwerkingsverband – van meerdere cellen vormden.

Hadden wij misschien ooit dezelfde soort pluggen overgenomen en zaten we nu met dezelfde manier van samenwerking opgescheept? Hadden we, anders gezegd, ons gewankel aan sponzen te danken?

Dat was min of meer het geval, al kende Anna geen wankelende sponzen. In feite stamde onze samenhang als geheel gewoon nog uit de tijd van dat we spons waren. De spons in ons hield alles uiteindelijk nog altijd bij elkaar. En niet alleen ons maar bijvoorbeeld ook een schimmel, alg, kwal of konijn. En ooit de dinosauriërs. Er was in principe geen duidelijke grens aan de hoeveelheid samenwerkende cellen, al had alles wat zich ook maar een beetje samenklonterde vanzelfsprekend te maken met de zwaartekracht. Hoe groter het sponzige netwerk, hoe meer er aan getrokken werd.

De cirkel duiksporters verplaatste zich met langzame stappen, onderbroken door korte pauzes, van strand naar water. In zee werkte het volgens Anna andersom. Hoe meer water je in totaal met je volume verplaatst, des te meer opwaartse kracht je teweegbrengt.

Dat opende mogelijkheden voor de toekomst. Wanneer we ooit behalve consumptievlees ook onze eigen substantie, inclusief botten en pezen en organen, zouden kunnen laten groeien zoals we wilden, konden we ons dan niet meteen maar het beste, net als walvissen en walrussen, in zeezoogdieren veranderen?

De kring van duikers stond tot buikhoogte in het water. De instructeur in het midden tikte met de vingers van beide handen op zijn hoofd en de anderen deden hem na. Daarna wees hij met twee vingers naar zijn duikmasker, voerde een denkbeeldige vuistslag uit en maakte een rondje van duim- en wijsvinger. De hele groep beeldde nu uit dat alles ok was. De laatste fase van transformatie van naar land- naar zeedier, van een zware en onhandige naar een lichtere en bovenal beter hanteerbare uitvoering van het lichaam, kon beginnen.

Zou ons lichaam nu werkelijk nog sporen van sponzen bevatten? Anna vroeg wat ik bedoelde met sporen. Ik wisselde maar weer eens van standbeen en vroeg in welke klier of functionaliteit die verwantschap nog was af te lezen. Ze antwoordde dat het genoom van mens en spons voor minstens zeventig procent exact hetzelfde was, en vroeg of ik dat voldoende vond.

De groep zakte simultaan door de knieën en maakte plaats voor een ring langzaam van ons af drijvende luchtbellen.

[p.37]

-72 meter

Volgens Bruce is onze vochtigheid nu 75 procent. Dat horen we hem via de radio doorgeven aan Topzijde, samen met nog een hele riedel andere gegevens, zoals de status van het wateralarm (‘geen’). Hij spreekt volgens een protocol dat hij tijdens zijn opleiding in Canada, samen met toekomstige nasa-astronauten heeft geleerd. Het klinkt alsof we bij een soort Neil Armstrong in de cockpit zitten. Erik zegt dat we zo te horen net zo goed vlak boven de maan of Mars zouden kunnen zweven, al lijkt hem dat een stuk minder interessant. Met een beetje geluk tref je daar het bewijs aan dat er ooit water was, of misschien vind je er na jaren zoeken zelfs daadwerkelijk wat nattigheid. Dat zou natuurlijk wel wat zijn, maar waarom al die moeite terwijl we daar hier toch, laten we zeggen, genoeg van hebben?

‘Van wat?’ vraag ik. ‘Water?’

‘Ja, oceaan. En daarvan is het merendeel nog niet eens verkend. Iedereen zoekt naar het onbekende maar op de meeste vierkante meters aarde is nog nooit iemand geweest.’

Hij tuurt demonstratief naar buiten. Ik vraag wat we op deze vierkante meters nu eigenlijk willen ontdekken – het gaat over sponzen, dat is inmiddels genoteerd, maar willen we daarmee iets over de oorsprong van het rif te weten komen, of zelfs van het leven in het algemeen? Wat heeft de mensheid aan onze sprong voorwaarts?

‘Tja,’ zegt Erik, ‘het is nog onbekend terrein, hè? Het is best wel interessant om te weten hoe het gesteld is met de biodiversiteit. Maar uiteindelijk is alles hier de moeite waard, zelfs als het tegenvalt.’

Eigenlijk zegt hij dat we gewoon eens een kijkje aan het nemen zijn.

[p.39]

Drie dagen geleden, Bonaire

Ons tafeltje stond tussen het zwembad en de bar, nog net onder de rieten overkapping. De vierde tafelgenoot, een leguaan, stond met zijn rug naar het zwembad. Zijn voorpoten rustten op het tafelblad, de achterpoten op de zitting van zijn stoel. Hij staarde wezenloos tussen ons door, ogenschijnlijk diep in gedachten, naar een punt aan de horizon of naar de espressomachine op de bar. Anna probeerde wat contact met hem te maken maar gaf het snel op.

Erik negeerde het beest zelfs helemaal. Toen hij nog op Curaçao woonde werd hij voortdurend vergezeld door leguanen; ze lagen op zijn motorkap omdat het daar nog warmer was dan het op dat eiland sowieso al was, of ze kleefden op het raam van zijn laboratorium en volgden, met hun hoofd tegen het glas gedrukt, apathisch zijn wetenschappelijke experimenten. Daarin stond alleen nooit een dergelijk soort hoger ontwikkeld dier centraal. De wederzijdse belangstelling leek, kort gezegd, niet erg intens.

Na lang wikken en wegen bestelden we een geelstaartvis met relatief weinig cadmium, arsenicum, kwik en lood. Ik dacht dat ik de graten allemaal uit die van mij had gehaald maar de eerste hap haakte zich al meteen vast in mijn keel. Ik peuterde de graatjes uit mijn mond, legde ze op de rand van mijn bord en zei dat ik vis hierom zo onhandig vond. Volgens Anna had de door mij gefileerde geelstaart daar zelf vermoedelijk heel anders over gedacht.

Inderdaad. Vissen wankelden niet. Ook rugklachten leken me onwaarschijnlijk. Ademhalen deden ze sowieso al veel efficiënter. Ik vroeg waarom, als het skelet van een vis zo praktisch was, we het niet gewoon hadden gehouden toen we het nog hadden.

Erik wees naar de graten op mijn bord en vertelde dat vissen ooit met hun vinnen op het land probeerden te klauteren. Uit zijn bondige toelichting begreep ik dat een vissenvin niet handig was om je op te drukken en dat je er daarna, op de wal, onmogelijk een wandeling mee kon maken. Maar waarom wilden we dat überhaupt? Waarom waren we niet in het water gebleven? Waarom waren we de confrontatie met zwaartekracht, moerassen en herfststormen aangegaan?

Misschien waren we gevlucht voor zeewezens met grotere tanden dan die van ons, al was de wapenwedloop aan land natuurlijk onverminderd doorgegaan. Misschien wilden we ook wel zomaar verder. Of: iets anders. Of: meer. Misschien zat verder komen en het idee van verandering wel gewoon in ons en kwamen we er nooit achter waar we werkelijk naar op zoek waren. Ik keek naar de klauwen van onze tafelgenoot, een uit vissen en amfibieen ontwikkeld reptiel. Ze waren pontificaal op een placemat met een plattegrond van Bonaire geplaatst.

[p.40]

-73 meter

Twintig meter verder naar beneden geeft het diepe rif alvast een geheim prijs. Vlak onder het park, buiten het bereik van sportduikers, parkwachters en rifrestaurateurs blijkt zich, in de echte wildernis, een roversbende te bevinden. Het gaat om een vis met een enigszins overdreven vormgeving. Dat geldt weliswaar voor bijna alle rifbewoners maar het kost toch enige moeite deze oranje-wit gestreepte koraalduivel met zijn kitscherige sprieten en grotesk uitwaaierende vinnen serieus te nemen als dé gevaarlijke roofvis zonder vijanden waar iedereen het op de benedenwindse eilanden met afgrijzen over heeft. Ze worden in deze contreien sinds een paar jaar overal gespot en zoveel mogelijk bestreden, maar Erik heeft nog nooit zo’n dichtheid van grote exemplaren aangetroffen als op deze diepte. Ze zwemmen hier in en uit de opening van een roestig stuk pijpleiding dat half in de bodem ligt begraven. Een exemplaar van minstens 40 centimeter lijkt de ingang te bewaken als een wonderlijke uitgedoste krijgsheer uit een Chinese opera.

Erik wil het dier niet naar zijn uiterlijk beoordelen. En ook niet naar zijn tanden en zijn honger, en de daarmee samenhangende bedreiging voor de lokale biodiversiteit. ‘Maar het is een vis,’ zegt hij. ‘Sorry hoor, maar vissen zijn saai. Ze staan mij veel te ver af van de oorsprong. Het zijn alleen maar consumenten, ze creëren niks.’

Maar mensen staan toch nog veel verder van de oorsprong af? Zijn wij dan toch ook saai, of zelfs nog saaier?

Hij richt de buitencamera op het brutaal poserende beest, maakt een close-up opname en zegt daarna dat wij een diersoort zijn dat langzaam bezig is alle biomassa op aarde in zichzelf te veranderen en dat hij dat, biologisch gezien, inderdaad geen bijster interessant gegeven vindt. Daarna lacht hij en zegt dat koraalduivels, ontdaan van hun giftige stekels, best goed smaken.

[p.42]

Drie dagen geleden, Bonaire

We kregen een lift van een filmmaker die we in de duikclub hadden ontmoet. Hij vertelde ons onderweg over de natuurfilm die hij op het eiland aan het draaien was in opdracht van National Geographic Channel en wees daarbij telkens in de richting van de zee, rechts van de weg, alsof we er de tv al bij aan hadden staan. Opmerkelijk genoeg werd de kust aan het zicht onttrokken door de ene ommuurde villa na de andere. Daar, op die percelen, speelde zich vermoedelijk een heel andere natuurfilm af, een met Nederlandse families of Nederlandse oudere echtparen in de hoofdrol, zittend in een patio, liggend op een privéstrand, hangend in een hangmat. De werkdag was voorbij, hier en daar draaide een villapoort open, glimmende terreinwagens reden naar binnen terwijl donker getinte personeelsleden naar buiten wandelden, een van hen droeg een kind in haar arm.

Erik vertelde dat veel autochtone kinderen hier ’s morgens hongerig naar school gestuurd werden, als ze daar überhaupt nog naartoe gingen. Veel kinderen hadden tieners als ouders. De sociale verschillen waren op Bonaire nog bijzonder groot. Het was allang geen kolonie meer, maar er heerste nog altijd grote ongelijkheid en apathie.

Misstanden komen natuurlijk overal voor maar ik had graag gezien dat het sociale ecosysteem juist op een ogenschijnlijk idyllisch eiland als dit een elegantere structuur had gehad. Meer gelijkheid onder de bevolking, wederzijdse ondersteuning in plaats van eenzijdig gebruik – waarom konden de bewoners van dit eiland niet als een community van koraaldiertjes samenleven? Waarom werden er op Bonaire niet gezamenlijk bloemen uitgebeeld?

Erik wist niet of je die lijn zo makkelijk kon doortrekken, al was de natuur van de bloemdiertjes wat hem betreft inderdaad wel een stuk inspirerender dan die van onze soortgenoten. Anna herinnerde ons eraan dat sommige koralen elkaar ’s nachts met hun naar buiten reikende ingewanden levend verteerden.

De documentairemaker knikte en deed alsof zijn beide handen, even los van het stuur, elkaar te grazen namen. Hij hoopte van zo’n onmenselijke gebeurtenis nog opnamen te maken met zijn nieuwe onderwatercamera.

Erik haalde zijn schouders op en zei dat hij dan ook meteen sponzen moest vastleggen die aan chemische oorlogsvoering deden.

We keken allemaal naar Anna. Zij merkte op dat veel van die spons-chemicaliën inmiddels al met succes waren uitgeprobeerd in medicaties, bijvoorbeeld tegen kanker. En de aids-onderdrukker azt was gemodelleerd naar stoffen uit een Caraïbische spons. Maar de waarde van tanden en pantsers en andere bewapening had zich in de evolutie sowieso wel bewezen: de agressie had tot een explosie van diersoorten geleid – we hadden er volgens haar uiteindelijk zelfs ons eigen bestaan aan te danken.

Ik vroeg me af wat we daarvan dan konden leren. Moesten we gewoon pakken wat we pakken konden, op wat voor manier dan ook en zonder na te denken over de gevolgen? Waren de Nederlanders die hier woonden alleen maar een instinct aan het volgen? Waren hun villa’s min of meer natuurlijk ontstaan, net als de bodem van afgestorven koraal waaruit ze leken opgerezen? Was dit een voorbeeld van menselijke natuurlijkheid? Moesten we het allemaal maar accepteren zoals het was en onze tanden gebruiken om net als koraalduivels te bijten waar we maar in bijten konden?

[p.44]

-144 meter

Of de roofvissen hier alles en iedereen hebben weggevreten is mij niet duidelijk maar het rif is op deze diepte kaal en verlaten. Adriaan, die tot ver onder de grens van het park als een reisleider de verschillende bezienswaardigheden heeft benoemd en aangewezen, is dan ook aanmerkelijk stiller geworden. Toch laat hij Bruce de afdaling langs de stenen koraaltrap even onderbreken. Onder ons stulpt iets ogenschijnlijk onnatuurlijks uit de kale bodem. Het heeft de vorm en kleur van een amfoor. Dit kan volgens Adriaan alleen maar datgene zijn waarop het lijkt: een eeuwenoud gebruiksvoorwerp, een grote aardewerken urn waarin de Spanjaarden, die de Nederlanders vooraf waren gegaan als plaatselijke onderdrukker en uitbuiter, ooit olijven hadden willen transporteren naar Bonaire.

Amfoor of niet, bewijs van de bloederige geschiedenis of gewoon een ergens nooit aangekomen artikel, het is een opvallend object, het bevindt zich op Adriaans pad en er zou alleen al daarom iets mee gedaan moeten worden. Behalve fotograferen zou hij het, om te beginnen, even kunnen optillen. Deze onderzeeër staan daarvoor diverse hydraulische grijparmen ter beschikking. Net voordat een daarvan de kruik bijna heeft bereikt, begint er plotseling een discussie over een vergunning – onze vergunning. Archeologische vondsten behoren tot dezelfde gevoelige categorie als koraal en zeeschildpadden, wij hebben alleen toestemming voor het meenemen van sponzen. Maar aan de andere kant, we zijn niet meer in het Mariene Park, dat ligt inmiddels ver boven ons – we zijn hier als eersten, en bovendien: we duiken niet, we snorkelen niet, we vallen onder een categorie waarvoor nog niet eens een toegangsbadge bestaat – we zijn, kortom, vrij. Kunnen we alle regelgeving niet gewoon een keer aan onze laars lappen?

Terwijl Erik de vergunning doorbladert observeert Anna de amfoor op een andere manier. Zij ziet er geen antiek voorwerp maar niets minder dan een eiland in, een eiland dat is bekleed met kleine sponzen en andere organismen.

‘Een eiland?’ vraag ik. ‘Die oude pot met olijven?’

‘Dit is een groot uitgevallen formatie,’ zegt Anna.

‘Wanneer de nasa een kiezelsteen op Mars vindt, hebben ze het al over een eiland.’

‘Ze is eilandenspecialist,’ zegt Erik.

‘Ja,’ zegt Anna. ‘Alleen zijn mijn eilanden normaal gesproken omgekeerd.’

Erik vraagt of ik inmiddels wel door heb dat zij altijd alles beter weet.

Ik vraag wat een omgekeerd eiland is. Een soort binnenstebuiten gekeerde donut – een gedeelte van de zee met een eiland in het midden, zoals het zeepark boven ons hoofd? Of hangt er op wonderbaarlijke wijze een stuk land omgekeerd in de lucht?

Nee. Anna vertelt over zeemeren – delen van de zee die door land worden omsloten – waarvan ze onlangs in West-Papoea en Oost-Kalimantan een aantal ontdekte en vervolgens tot op de bodem heeft onderzocht. Een bepaald soort spons had zich zo’n 15 000 jaar geleden, gevlucht uit een oeroud tijdperk, in die meren verschanst en zich daarna in elk meer afzonderlijk aan de verschillende plaatselijke omstandigheden aangepast. Ze voelde zich een soort Charles Darwin die op elk nieuw Galapagoseiland een nieuwe variant van dezelfde reuzenschildpad aantrof. Haar pleistocene bergmerengatenkaas behuisde bovendien nog veel andere vertakte ‘reuzenschildpadsponzen’. Onze archeologische kruik ligt hier nog maar een paar honderd jaar, maar ook dit voorwerp is al het bestuderen waard. Het leven dat er toevlucht op heeft gezocht, erop groeit, eroverheen kruipt en erlangs zwemt, heeft vermoedelijk al unieke erfelijke kenmerken.

Adriaan heeft intussen met Erik overlegd en zich afgevraagd of hij hier zijn vingers aan wil branden. Aan een autoband of een plastic beker of zelfs een dode zeester had hij zich op deze diepte nog wel gewaagd, maar dit? Hij schudt zijn hoofd en trekt zijn grijparm terug.

[p.47]

Drie dagen geleden, Bonaire

Terugtrekken en loslaten ligt niet in Adriaans aard. Hij is een man van vastpakken, verplaatsen en veranderen. Heerste daarover nog een misverstand, dan werd dat gisteren de wereld uitgeholpen, kort nadat we waren afgezet in de haven, direct bij de pier. De documentairemaker liep even met ons mee want hij vond de Chapman een mooi plaatje. De trawler reflecteerde in de avondzon alsof hij een feestelijke attractie was. In feite was hij dat ook, en er was nu zelfs een feestje aan de gang, we waren nog net op tijd. Erik werd meteen omringd door journalisten van Bonaire tv en het Antilliaans Dagblad.

Behalve alle opvarenden had Adriaan ook direct-betrokkenen-aan-wal uitgenodigd: vertegenwoordigers van het ministerie en verschillende onderzoekscentra, plaatselijke politici, natuurbeheerders op Bonairiaans en Antilliaans niveau, parkwachters, watermanagers, vergunningverleners en verdere financiële partners. Allemaal mensen met een visie, een bepaalde reikwijdte.

In eerste instantie bewonderden deze gasten de duikboot als instrument voor het begrijpen en wellicht toekomstig beheren van het diepe rif, het koraal en misschien wel de hele aarde. Allerlei topics zouden er in principe mee afgehandeld kunnen worden. Wat voor leven is er onder het park? Bestaat de bodem van ons koninkrijk hier uit zand of uit gesteente? Is er uitwisseling tussen het diepe en het gewone rif? Valt er iets te ontdekken voor de medische industrie? De cosmeticabranche misschien? Langzamerhand werd ook de persoonlijke betrokkenheid benadrukt. Die werd vervolgens gekoppeld aan de vraag wie er allemaal voor een proefduik in aanmerking kwam. En in welke volgorde.

Terwijl de genodigden zich zo onderhielden en glaasjes wijn en hapjes consumeerden, klom Adriaan op het bedieningsplatform van de bootskraan. Wie wilde kon nu zijn bedrevenheid als kraanmachinist bewonderen. De duikboot hing al in hijsbanden aan de haak.

Of hij nou het dek schoonboende, steaks aan het grillen was of takelwerkzaamheden uitvoerde, en of het gereedschap dat hij daarbij hanteerde nu voorzien was van een grijper, graafbak, boor of dweil – Adriaan smolt er telkens mee samen. Nu vormde hij een eenheid met de tien meter lange vuurrode metalen arm-en-hijshaak, al met al een symbool van een toekomstig soort mens – en een illustratie van hoe elastisch het begrip natuurlijkheid daadwerkelijk zou kunnen zijn.

De zon was bijna onder. De-kraan-en-Adriaan werd een kort moment voorzien van een stralenkrans. Onze documentairemaker en de cameraman van Bonaire tv renden over de kade om het tafereel nog net op tijd in het juiste frame te kunnen plaatsen.

[p.48]

-239 meter

De trap van koraal is op deze diepte niet meer te herkennen. De treden zijn versleten of misschien scheren we al over de bodem die nu gewoon schuin afloopt, nog verder naar beneden. We hadden al de astronautentaal van Bruce en het ruisen en de pieptonen van de radio, maar nu kijken we door de patrijspoort ook nog naar een beeld dat de maanlanding zou kunnen voorstellen, een transmissie uit de jaren zestig in vage grijstonen. Alles wijst op het betreden van een nieuwe ruimte en het ontrafelen van raadsels. Bij gebrek aan sponzen of ander levend materiaal wordt er gepauzeerd om aan een losliggende kiezel te snuffelen alsof we daarmee de toekomst kunnen voorspellen of om te ontdekken dat het andere kostbare aanwijzingen bevat. Ik kan, ondanks het potentiële wonder, de aandacht er even moeilijk bijhouden. De tijd lijkt hier, dichter bij het middelpunt van de aarde, een stuk langzamer te verstrijken. Na het snuffelen aan de ene steen gaan we op zoek naar een volgende. Intussen lossen de bundels uit onze koplampen op in niets.

[p.49]

-248 meter

Er wordt opgewonden gepraat in de capsule. Ik open mijn ogen. Ons licht wordt weerkaatst door een rotswand. Zijn we weer op de trap naar Bonaire gestoten? Is dit de eerste trede terug naar boven? Bruce checkt de gps. Nee, nee, dat lijkt hem onwaarschijnlijk. Ook de hevig krakende Topzijde meldt dat we juist verder zijn afgedwaald. Is er ander een eiland in de buurt? Dat is ook niet het geval, tenminste niet in de gebruikelijke zin. Wat hebben we immers van Anna geleerd? Een eiland kan zich ook onder water bevinden en, zoals hier vermoedelijk, op een werkelijke oase van leven in een doodse omgeving wijzen.

Adriaan leeft ook weer op. Hij deelt Anna’s interesse in eilanden, al hoeven die voor hem niet perse omgekeerd te zijn of een uitzonderlijke biodiverse betekenis te hebben. Hij zet er gewoon graag voet aan wal – zoals nu en dan op het eiland dat hij, eigenhandig, voor zichzelf in de Caraïbische Zee heeft aangelegd; weliswaar niet groter dan zijn achtertuin, waar het aan grenst, maar wel een echt eiland. In plaats van een plek om de wereld de rug toe te keren is dat een oord vanwaar hij zijn huis en de aanpalende projecten aan de kust kan aanschouwen en waarop hij, daar komt het eigenlijk op neer, zijn leven kan overdenken. Wat het betekent om mens te zijn, van dat soort vragen. Voor het ontwaren van sommige kwaliteiten is een zekere afstand noodzakelijk. Iedereen zou volgens hem over een dergelijk bezinningsoord moeten beschikken.

Wellicht valt het nu door ons ontdekte zogenaamde eiland ook te gebruiken als een plek vanwaar we ons leven vanuit een nieuw perspectief en op een andere manier kunnen bekijken. Vooralsnog is behalve de functionaliteit ook de omvang ervan moeilijk in te schatten. Bruce meldt dat de sonar geen duidelijke vorm herkent. Erik ziet er een overblijfsel uit een ander geologisch tijdperk in, een kolossaal stuk pleistoceen gesteente, wie weet een archipel, in feite een kleine bergrug. Van verplaatsen of meenemen is geen sprake. We zijn evenmin in staat uit te stappen om hier, op de top van het eiland, ons leven te beschouwen. Toch is de sfeer opgewonden: de wand is begroeid en wordt bewoond door allerlei soorten dieren. De schatten liggen voor het grijpen.

In eerste instantie hopen wetenschappers dankzij een dergelijke vondst, die op geen kaart voorkomt en zich in de luwte van de rest van de evolutie moet hebben ontwikkeld, meer over de werking van het rif te weten te komen. Wat mij betreft treffen we hier alles aan wat op de maan nooit gevonden is: een recept voor creatieve energieopwekking, een middel tegen kanker en een handleiding voor betere samenwerking – kwaliteiten die stuk voor stuk, in potentie, in verschillende wetenschappelijke publicaties het hoger gelegen koraalrif worden toegedicht en, als ze allemaal uitkomen, het leven op aarde naar een hoger plan kunnen tillen – of misschien zelfs kunnen behoeden voor de ondergang.

Adriaan wil de flanken van de rotsformatie met de klok mee aftasten, maar Anna wijst naar een spelonk in de andere richting. Ik hoor haar: ‘Dat daar’ zeggen. En, vrij resoluut: ‘Verzamelen’. Ze blijft wijzen tot Bruce ons recht voor de ingang heeft gemanoeuvreerd.

‘Er is iets gespot,’ zegt Erik. ‘De hele wand zit vol met sponzen, maar waar heeft Anna haar zinnen op gezet? Een exemplaar dat zich half verborgen heeft en waarvoor er weer behoorlijk gestunt moet gaan worden.’

Ze kijkt om en merkt op dat we daarom nu eenmaal in dit apparaat zijn gaan zitten. Deze inderdaad half verborgen maar veelbelovende spons kun je niet simpelweg met een lang touw met een haak opvissen.

Op dit punt zit Anna opnieuw op een lijn met Adriaan, en het past bij mijn verwachting van daadwerkelijke universele verbetering: niks is interessanter dan iets wat zich net buiten je bereik lijkt te bevinden.

[p.52]

Twee dagen geleden, Bonaire

Na het feestje keerde op het schip de rust terug, dat wil zeggen, de gasten waren vertrokken – de trawler zelf deinde mij nog altijd te veel, of op de verkeerde manier. Ik liep stapje voor stapje naar de kombuis. Daar lag Adriaan al in zijn slaapzak op de bank. Dat hij zo’n strategische slaapplek had uitgekozen was volgens Anna niet om iedereen in de gaten te houden, maar maakte wel elke avond waarneembaar wanneer het volgens hem tijd was om op de Chapman naar bed te gaan.

Bedtijd of niet, Anna zat aan een van de eettafels minuscule etiketjes op piepkleine monsterbuisjes te plakken. Ook haar Amerikaanse collega Carole was nog ergens mee bezig; ik zag haar aan een tafel verderop een aantal felgekleurde specimen sorteren. Ze had hier de laatste dagen met haar team voortdurend visjes uit het diepe rif gefotografeerd, prachtige beestjes die vervolgens, een enkele nog naar lucht happend, elk in een zakje met een formaline-oplossing werden gestopt, maar zelfs in mijn misselijke toestand besefte ik dat er nu iets anders onderzocht werd. Een bepaalde categorie van schelpdieren? Fossielen misschien?

Terwijl ze zo bezig waren brachten de twee wetenschappers elkaar van hun recente ontdekkingen op de hoogte. Carole zei dat Anna gerust nog wat over haar onderzoek kon nalezen in National Geographic Magazine, het afgelopen mei-nummer om precies te zijn. Dat kwam goed uit. Anna had daar nog wel ergens een exemplaar van liggen, ze zei dat een van haar eigen onderzoeken toevallig in datzelfde nummer behandeld werd. In de korte stilte die daarop volgde zei ik dat ik nog nooit zulke kleuren had gezien. Carole’s gezicht klaarde weer op. Ze keek verrast naar wat ze zelf op tafel had uitgespreid. Ja, ze had een paar heel zeldzame gevonden.

Ik wees naar een groen specimen en zei dat het vel, of de huid, er als een dun laagje poeder uitzag.

Carole knikte. Dat zou volgens haar een originele Dr. Pepper kunnen zijn.

Een Dr. Pepper? Dat taxonomen nieuwe ontdekkingen soms naar hun kinderen noemden begreep ik nog wel, maar Dr. Pepper, was dat geen frisdrank? Zonder het antwoord af te wachten wees ik naar een ander exemplaar, korenblauw en schijnbaar bevroren. ‘En deze dan?’

‘Misschien een Vicks Vaseline,’ dacht Carole.

Dit waren geen namen die ik me voorstelde bij de vondsten van een maritiem biologe. En al helemaal niet bij voorbeelden van rudimentaire vormen van leven, de basale vereenvoudiging van onze fysieke aanwezigheid, het leven uit een stuk waar ik me deze reis gaandeweg steeds meer voor was gaan interesseren. Of vergiste ik me? Zagen we, vroeg ik me hardop af, deze eigenaardige vondsten binnenkort terug op het omslag van de National Geographic?

Ik hoorde Anna lachen.

Carole lachte ook. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Ik ben een jager-verzamelaar, dat is de essentie van mij als mens, of ik het materiaal in kwestie nou in de diepzee aantref of tijdens een wandeling op het strand – het komt op hetzelfde neer.’

De vondsten waren glasscherven, afkomstig van potten en flessen, fysiek en chemisch verweerd door de zee. Kenners hadden er de verzamelnaam zeeglas aan gegeven. Carole had de afgelopen twintig jaar tienduizenden verschillende tropische vissen gevangen en geclassificeerd maar niks evenaarde volgens haar de diepe kleur en de wonderlijke presentie van deze objecten. Echt mooie exemplaren waren een zeldzaamheid – je had altijd het idee dat juist die zich voor je verborgen hielden. Er werd wel geprobeerd ze na te maken door ordinaire scherven dagenlang te centrifugeren of in een bad met zuur te dompelen, maar dat haalde het niet bij wat ze vandaag had aangetroffen langs de kustlijn van Bonaire. Ze legde de vondst die het meest opviel, een magisch wit schijfje, op haar handpalm. Deze disk had zich jarenlang, misschien eeuwenlang, in een uniek alkalinemilieu opgehouden – de Caraïbische Zee.

In mijn hoofd verwijdde zich het begrip ‘natuurlijkheid’ opnieuw. Een baksteen wordt niet moe van staan, een auto wordt binnenkort gekweekt, een stukje oud glas wint het qua schoonheid van een tropische vis. Ik vroeg me af of we op dit gebied nog meer konden verwachten. Of wat mensen maakten meer en meer met de natuur ging samensmelten, of die op den duur zelfs zou gaan overtreffen.

‘O, absoluut,’ zei ze afwezig. Het schijfje in haar hand leek een wit licht uit te stralen. Het was de meest volmaakt aangetaste bodem van een jampot die ze ooit had gevonden – alsof ze een diamant in haar hand had, die niet eens meer geslepen hoefde te worden.

Na de omgekeerde eilanden hadden we nu dus de omgekeerde wereld. In plaats van mensen die de natuur verbeterden, had de natuur hier een menselijk product geperfectioneerd. Carole legde de scherf weer voor zich neer. Er kon, dacht ze, toch nog wel iets over gepubliceerd worden. In Creativity, bijvoorbeeld.

Creativity? Dat was toch geen magazine van een dubieuze organisatie over een door God gecreëerde wereld? Dat leek mij na deze reis onwaarschijnlijker dan ooit. Dat de evolutie hier en daar, of zelfs in essentie, door onze beschaving grondig verbeterd zou moeten worden, betekende toch nog niet dat het leven op aarde ooit in zijn geheel ontworpen was?

Nee, nee. Creativity was een toonaangevend blad op het terrein van hobby en handwerk. Ze kon van dit nieuwe materiaal, om maar een voorbeeld te noemen, broches maken voor vrienden, of een mobile. Of, voor zichzelf, een windorgel.

[p.55]

-248 meter

Bruce gebruikt onze ronde voorruit nu als vizier, de spons van Anna verschijnt in het midden. Langzaam benaderen we dit wonderlijke bleke schepsel. Adriaan beweegt een van de hydraulische armen naar voren en pakt het met de grijper beet. Ondanks de stevige greep laat het beest de bodem niet los. Ik vraag of we misschien een boorspons te pakken hebben maar Erik legt uit dat die zich ook werkelijk ergens in boren, in elke geschikte ondergrond, desnoods in een andere spons, en dat je er aan de oppervlakte daarna niet meer veel van ziet. Deze zit gewoon stevig vast, net zoals wij ooit als embryo aan onze moeder zaten vastgehecht.

Wat nu? Behalve over flexibele hydraulische armen beschikt Adriaan nog over een kort, statisch armpje met een bijl als opzetstuk en hij besluit dat die moet worden ingezet.

Hierdoor verandert onze hele mini-U-boot in een stuk gereedschap.

[p.56]

Een dag geleden, Bonaire

We waren gisteren nog even in een supermarkt. Ik zocht naar ontbijtkoek en biscuitjes tegen buikloop, maar het ging vooraf om spullen voor het laboratorium op de Chapman. Na het duiken zouden de vondsten daar worden geprepareerd en verwerkt. De inkooptaken werden verdeeld. Erik de juiste vloeistoffen, Anna de hardware. Ze schraapte bij de afdeling huishoudelijke artikelen met haar duim langs het snijvlak van een broodmes. Was het scherp genoeg? De meeste sponzen waren volgens haar taai of zelfs keihard. Veel soorten hadden zichzelf verstevigd met een dichte structuur van minuscule glasstaafjes, iets wat vooral in de diepzee, onder enorme waterdruk, goed van pas kwam – een even efficiënte als radicale oplossing waar wij met ons gewankel, al hadden we dat aan onze eigen innerlijke spons te danken, ook weer ver bij achterbleven en nog bij lange na geen oplossing voor hadden gevonden. Sponsdieren hadden soms bovendien meterslange tentakels van glasvezel. Daardoor kon je, ook al legde je er een knoop in, licht transporteren; net als door communicatiekabel, een uitkomst, met name in de donkere diepe zee en wellicht het principe van een toekomstig wereldwijd communicatienetwerk. Ik vroeg of sponzen al dat glas zelf produceerden.

Anna knikte. Ze deden dat al drie miljard jaar, sommigen poepten zelfs glas.

Ik legde mijn biscuitjes in het karretje. Als meer recent geëvolueerde soort van leven belichaamden wij ook in dat opzicht bepaald geen verbetering.

Anna knikte opnieuw. ‘Ik voel compassie voor ze. Soms denk ik dat ik ze hoor gillen wanneer ik ze opensnijd.’

[p.57]

-248 meter

Bruce heeft de vondst van de onderzeese bergrug doorgegeven aan zijn collega’s in de consoleboot ver boven ons. Als antwoord komt een opgewonden gekraak uit de luidsprekers, Topzijde is op onze diepte moeilijk te verstaan.

Onze piloot vraagt daarna om een moment geduld, laat de horizontale schroef een eindje naar achteren bewegen en schakelt ons daarna in volle vaart vooruit. We komen abrupt tot stilstand, onze bijl heeft zich diep tussen de spons en de rotsrichel geboord.

Ik denk aan wat ik deze dagen heb geleerd: ooit wierp de evolutie tanden in de strijd. Dat bespoedigde de ontwikkeling van complexe levensvormen met bijvoorbeeld onszelf als spectaculair resultaat. Maar behalve groter, slimmer en sterker zijn we er ook afhankelijker en in een bepaald opzicht kwetsbaarder door geworden. In tegenstelling tot een spons zijn wij nog lang niet tot een perfect wezen geëvolueerd. Ik hoop niet dat onze ene tand ons nu noodlottig is geworden door zich eens en voor altijd, als gevolg van weer een waanidee, klem te zetten. Bruce schakelt nog een keer naar achteren.

Tussen de zijwand en de zijpoort vlucht een parade van kleine rotsbewoners naar het open water: wormen, zeesterren, zee-egels, visjes, weekdiertjes. Een ervan, een oranje miniatuur van ons voertuig, draait zich nog even om. Zo’n vier miljard jaar geleden ontstond in de diepzee, mede door de hoge waterdruk, het eerste leven op aarde. Een miljard jaar later volgden de eerste meercellige organismen. Ik stel me voor dat dit kleine zeedier daar een vroege representant van is. Het heeft grote ogen die via steeltjes met zijn kop verbonden zijn. Daarbinnen wordt nu onze plotselinge transformatie verwerkt: van weliswaar reusachtige maar enigszins vriendelijke en goedaardige soortgenoot tot een agressief wezen, afgezonken uit de toekomst. We zijn met onze snuit vol grijparmen in zijn spelonk verdwenen, maar komen, vanuit het perspectief van dit gevluchte diertje, nu toch weer met ons gebolde achterste tevoorschijn om ons opnieuw in volle vaart en met veel herrie op de spons te kunnen werpen.

Hier zijn we beland, met onze kunstmatige ledematen, onze leefondersteuning, ons pantser en onze kennis van zaken. Keer op keer razen we op de rotswand af, inmiddels gehuld in een zandstorm die onze zes boegschroeven gezamenlijk hebben ontketend. Het gaat om de instandhouding van het rif, en het doorgronden ervan – uiteindelijk om het leven van de volgende generaties op aarde –, maar wat voor indruk maken we hier? Is dit het gedrag dat je mag verwachten van een diersoort dat zich bewust is van zichzelf en al duizenden jaren over ethiek debatteert?

We krijgen het niet voor niets maar we zijn het grootst en het sterkst en houden eindelijk de losgewrikte prooi in onze grijparm – een levend wezen in de gedaante van samengeklonterde vlezige zeepbellen, in zijn geheel zo groot als een pasgeboren baby.

Anna zegt dat ze dit model werkelijk nog nooit heeft gezien, hoogstwaarschijnlijk zijn wij de eersten die dat doen. De vondst wordt nu behoedzaam in een bagagenet onder de voorruit gedeponeerd. We weten niet of het een mannetjes- of vrouwtjesspons is maar wat mij betreft is het een overblijfsel uit een nog tandeloos tijdperk waarin dat verschil nog niet eens bestond.

[p.59]

Een dag geleden, Bonaire

We rekenden af en wachtten buiten de supermarkt op Erik. Ik ondersteunde de doos met boodschappen met mijn knie. Bovenop lag mijn ontbijtkoek, als het ware geserveerd op een hele stapel aluminium wegwerpschalen. Die waren volgens Anna handig voor het prepareren en fotograferen van de sponzen. Ze deed met de zijkant van haar hand alsof ze de koek, nu zogenaamd spons, in een aantal stukken hakte. Ik vroeg of sponzen nou echt de meest vereenvoudigde, simpele en transparante vorm van onszelf representeerden. Van Anna mocht ik dat zo zien als ik wilde. Daarna vervolgde ze het zogenaamd in stukken hakken – langzamerhand was het meer verkruimelen. Je kon een spons volgens haar in principe in steeds kleinere stukjes snijden, net zo lang tot het geheel uit elkaar zou vallen in losse cellen. Uit proeven was gebleken dat die sponscellen elkaar daarna, onder de juiste omstandigheden, weer opzochten. Of ze vervolgens nieuwe verbindingsstukken vervaardigden of bestaande pluggen opnieuw gebruikten, was nog onduidelijk, maar er ontstond weer een structuur tussen de ene cel en de andere en ten slotte een nieuwe spons – of, hoe moest je dit zien, misschien ook wel weer dezelfde.

Ik wist niet of ik mijn koek nu als nieuw of min of meer onveranderd moest voorstellen maar uit elkaar vallen en je dan weer hergroeperen leek me sowieso een opmerkelijke eigenschap. Geschikt voor talloze toepassingen, variërend van wellicht ooit een praktische manier van voortplanten tot het oplossen van een teveel aan egocentrische gevoelens. In elk geval opnieuw een kwaliteit die we, onderweg naar wat we geworden zijn, verloren hadden.

Ook Erik had inmiddels het juiste materiaal gevonden: een bepaald soort alcohol, niet om na afloop de in stukken gesneden spons mee te prepareren, ook niet om de afzonderlijke cellen weer in te verenigen maar gewoon, een literfles gin, om op te drinken. Duiken veroorzaakte volgens hem een groots, basaal en bijna dronken gevoel – we waren als landdier niet meer gewend aan een dergelijke verbinding met onze omgeving.

Ik vroeg of, eenmaal onder water, het bewustzijn van de spons in ons misschien weer ontwaakte. Die vraag kon Erik niet beantwoorden. Wat er precies gebeurde wist hij niet, behalve dat hij zijn hartslag omlaag voelde gaan en zich meestal bevrijd, verlost en onbezorgd voelde. Wat er zich ook afspeelde, het kon geen kwaad deze geestestoestand na afloop nog even provisorisch te verlengen en niks zou ons daarvan straks weerhouden.

[p.61]

-68 meter

We duwen de steekproefmand als een vooruitgeschoven onderkaak voor ons uit. Er is van alles verzameld. Net als de verschillende koralen lijken ook de sponzen van het diepe rif een min of meer multiraciale samenleving te hebben gerealiseerd: behalve een zeepbel en een vat is er bijvoorbeeld ook een aardbei, kachelpijp en olifantenoor buitgemaakt. Hebben we alles? We zijn weer aan stijgen en al bijna terug in het park. Ook de temperatuur gaat al omhoog.

Erik wil de allerlaatste meters nog even voorin zitten – en dat betekent een kleine logistieke operatie waarvoor afgeteld moet worden. We kruipen na het startsignaal gelijktijdig om Bruce heen: ik schuif opzij naar waar Erik zat, Erik naar Adriaans vrijgekomen ligbed, Adriaan opzij naar Anna’s bed, Anna naar achteren waar ik zat. Het vaartuig krijgt weinig tijd om te wennen aan de nieuwe ordening in zijn onderbuik. Erik ligt nog maar net waar Adriaan lag of hij vraagt of ‘dat’ een koningshelm is.

Een spons in de vorm van een helm, ontbreekt die nog aan onze collectie? Adriaans slurf heeft hem al te pakken en beweegt hem nu tergend langzaam dichter naar het venster. Erik bestudeert het dier alvast zorgvuldig.

Volgens mij lijkt dit meer op een grote schelp dan op een spons.

Erik zegt dat dit ook werkelijk een schelp is en dat hij hem mee wil nemen voor zijn dochtertje. Zij vraagt al jaren om een schat uit de zee maar reis na reis stelt hij haar teleur. Zo’n meisje heeft nou eenmaal geen boodschap aan vergunningen of regels.

Een schelp meenemen? Meteen stellen we ons beelden voor van duikende parkwachters die mogelijk al vlak boven ons patrouilleren. De voorschriften worden er nog maar eens bijgehaald. Is deze koningshelm bewoond? Nee. Is hij bedreigd als soort? Nee. Is het een archeologische vondst? Lijkt ons sterk. Is het een stuk koraal of een zeeschildpad? Nee. Heeft Eriks dochtertje de schelp verdiend? Zeker, al hebben kinderen per definitie natuurlijk altijd alles verdiend. Kunnen we hem meenemen, al is het een schelp en lijkt hij niet eens op een spons?

Anna vraagt zich af of er überhaupt iets bestaat dat op een spons kan lijken. Zo’n beetje alles kan er immers als een spons uitzien.

Dat biedt weer mogelijkheden. Ik kijk naar de mand met onze opgegraven, opgeraapte, losgewrikte of opgezogen trofeeën en vraag me af of je Anna’s bewering ook om kunt draaien. Misschien dat we sowieso ooit weer terug bij het nulpunt zullen zijn. Bestaat dan alles uit spons, zonder dat we het weten?

Ik stel me vast voor dat deze zeepbellen komende generaties inspireren tot een nieuwe modulaire woningbouw, wie weet gaat de aardbeispons ongeneeslijk zieke mensen genezen, onze vatspons wordt vast nog wel een keer het recept om 2000 jaar te kunnen leven ontfutseld. Hopelijk brengen we hiermee tenminste iets van die hele grenzeloze oeroude onderwaterutopie naar boven.

Onze verzameling ziet er hoopvol uit en de slurf plaatst de schelpenhelm er op dit laatste moment nog als een kroon bovenop. Voor een klein meisje breekt in ieder geval het geluk nu al aan.

J. B. Matto & De spons in ons